Kerst

Joel, de Rooknachten en de Vrouw Hollenacht

door Andreas Zautner
vertaling Michiel de Nijs

Over het houden van het Joelfeest
Uit: de Grágás (letterlijk: grauwe gans, een ijslands wetboek uit de dertiende eeuw), naar de vertaling door Andreas Heusler

Het Joelfeest hebben wij hier ten lande. Dat zijn dertien dagen. Daarvan zal men houden de eerste Joeldag en de achtste en de dertiende zoals de eerste Paasdag, en de tweede Joeldag en de derde en de vierde, die zal men allen houden zoals een zondag, uitgezonderd dat het dan goed is, zijn vee uit te mesten op de derde Joeldag of op de vierde, op welke men wil. Maar op alle tussendagen van de Joeltijd is het goed het vee uit te mesten en de mest op de weide te leggen - het deel van de weide, dat naast de koeienstal is, in zoverre men daarvoor lastdieren gebruikt, om het daar naartoe af te voeren. Schept iemand de mest eruit en gebruikt hij daarbij geen lastdier, dan moet hij het op de hopen leggen. Op deze wijze mogen de mensen ook werken op de tussendagen van de Joeltijd: slachten en van het vee afhalen, wat men voor de Joeltijd nodig heeft, en bier brouwen en de hooivoorraad halen, die nodig is, wanneer het hem nuttig schijnt, daarmee te voederen als met hetgeen, dat al daarbinnen is, en zij krijgen geen lastdieren daarvoor met Joel. Een grotere hooivoorraad mag hij niet halen, als dat hij genoeg heeft tijdens Joel.


Kerstboom naast het stadhuis van Suhl, Thüringen

De wij- of rooknachten

„Wat is Kerstmis eigenlijk ?“ is een vraag, die men vaak hoort en toch meestal niet ècht beantwoord krijgt. Men kan ook vragen: „Wat zijn de rooknachten, de Twaalf Nachten of de Joeltijd ?“, want Kerstmis heeft in de volksmond vele namen. Toch blijven wij nog even bij Kerstmis. Zo valt op, dat het duitse woord voor Kerstmis Weihnachten een ietwat zeldzaam hardnekkig meervoud schijnt te zijn, want het is niet enkelvoudig Weihnacht, maar gelijk Weihnachten. Tegenwoordig zal men wel eerder Weihnächte zeggen. Deze gewijde nachten zijn identiek aan de zogenaamde twaalf rooknachten, waarin men volgens zeggen niet werken of wassen mag. Hoe komen we toch tot deze twaalf nachten en waarom zijn het er twaalf?

De oorzaak hiervoor is het onderscheid tussen het zonne- en maanjaar. Een omloop van de zon, dat wil zeggen een zonnejaar van winterzonnewende tot winterzonnewende, duurt 365¼ dagen. De maanfasen hebben een gemiddelde lengte van 29,53059 dagen (Ze wisselen tussen de ongeveer 29,27 en 29,83 dagen). In de kalender werden in de regel maanden met om en om 29 en 30 dagen toegepast. Daarmee duurden twaalf maan-maanden, dat wil zeggen twaalf keer van nieuwe maan tot nieuwe maan, 354 dagen (6 x 29 + 6 x 30). Het verschil bedraagt aldus 11¼ dagen. Nauwkeuriger gezegd bedraagt het verschil 4 x 11¼ = 45 dagen in vier jaar tijd. Dit jaarlijkse verschil van iets meer dan 11 dagen moet dus vereffend worden. Doordat een dag uit dag en nacht bestaat komen deze 11¼ dagen tamelijk in de buurt van 12 nachten, dus 11½ dagen. Deze twaalf nachten zijn echter niet de vereffening zelf...

Wanneer de twaalf maan-maanden in vergelijking met de zon 12 nachten te vroeg eindigen, kan men de maand voorafgaand aan de winterzonnewende niet gewoonweg als een wekker met 11 of 12 dagen uitbreiden. Het is enkel mogelijk om gehele schrikkelmaanden in te voegen. En de beslissing zo'n schrikkelmaand in te voegen wordt genomen binnen de tijdspanne van de Twaalf Nachten. Kan er binnen deze twaalf nachten geen nieuwe maan waargenomen worden, dan heeft het daarop volgende jaar zoals normaal 12 maanden. Is er echter binnen de Twaalf Nachten een nieuwe maan, dus het begin van een nieuwe maand, dan wordt er in het volgende jaar een schrikkelmaand ingevoegd. Doordat deze elf dagen / twaalf nachten zo ongeveer één derde maand zijn, heeft men om ende nabij elke drie jaar een 13-maanden-jaar. De controle is daarbij tamelijk pragmatisch. Een dertiende maand brengt een vrij grote verandering in het betreffende jaar teweeg. Wanneer men er vanuit gaat dat men in zo'n jaar sowieso al een gemiddeld verloop van 1/3 maand heeft en dat dan de eerste maand gedurende de rooknachten, dat wil zeggen enigszins in de buurt van de winterzonnewende, begint, dan voegt men gewoonweg weer ongeveer 1/3 maand in. Deze schrikkelmaand werd bij de oude Saksen tussen juni en juli, na de zomerzonnewende ingevoegd. De maand voor de zomerzonnewende heette Aerra Liða (Vroeg-Litha), die daarna Æftera Liða (Laat-Litha). De schrikkelmaand daar tussenin Þriliða (Derde Litha). Ook het sterrenbeeld Tweelingen verwijst naar deze regeling. Meestal zijn de tweelingen een paar. Enkel in een schrikkeljaar scheiden zij van elkaar en zijn ze in hun eentje te zien. In het noorden heeft men de schrikkelmaand tussen augustus en september ingevoegd, en voor beide maanden is ook de naam Tvímanuðr (Dubbelmaand) overgeleverd.

Het geval wil dat men wel eens van sagen of sprookjes gehoord heeft, die over het grote feest „naar de twee manen“ verhalen. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om grote een gehele maand durende zomerzonnewendefeesten in zo'n schrikkeljaar met een dubbelmaand.

In ieder geval valt de beslissing voor zo'n ingevoegde dubbelmaand in de Twaalf Nachten, de twaalf nachten direct na de winterzonnewende. De Twaalf Nachten blijven daarmee altijd in zichzelf constant en zijn niet als variabele schrikkeldagen tussen het zonne- en maanjaar te begrijpen.


De Gönnacht
vrij naar Ludwig von Hörmann, Tiroler Volksleben, Stuttgart 1909. blz. 241 - 247.

De Perchtennacht gaat aan een niet minder belangrijke nacht vooraf, namelijk de Gömmacht of Gömmat (ook Gönnacht (Oberinntal) en Gennachten (Unterinntal)), die als trefpunt voor zakelijke regelingen van boeren zeer wel bekend zijn. Waarvan dit woord is afgeleid, is nog niet geheel vastgesteld. Waarschijnlijk is het slechts de verminkte vorm van Geefnacht, zoals men ook nu nog in Wipptal deze uitdrukking gebruikt; ook bij de Sette Comuni (Een gebied van zeven gemeenten ten noorden van Venetië, waar het Cimbrisch, een germaans dialect, wordt gesproken.) heet deze dag "de gute Ghibe". Als dit op meer plekken het geval was, dan was de naam van de goede gaven af te leiden, die men rond deze tijd aan de rondtrekkende armen spendeerde. Mogelijk is het echter ook, dat de Frau Gonnacht, die in ieder geval al vroeg in oorkonden voor komt, de wortel in zich draagt en op Goden- of Gödennacht te herleiden is, wat zeker, zoals we zullen zien, goed met het algehele karakter van deze dag overeen zou stemmen.

Gömmachten op de vooravond van de Perchtennacht is gelijk de laatste zogenaamde grote rooknacht en wordt daarom met bijzondere plechtigheid omgeven. Net zo als op kerstavond moeten de kamer en huisdeur schoon geveegd en geschuurd zijn, en de spoelen en spindels leeg, want anders nestelt de Perchtl zich daarin. Op deze avond wordt er veel, zeer veel, gegeten en hoewel men niet overal zoals in Steiermark in deze drievoudige nacht driemaal eet, komen er in ieder geval drie gerechten op tafel. Hierbij heerst de overerfde gewoonte, dat men van elk gerecht iets voor de Perchtl over laat en dat op het dak van het huis neerzet. Normaal gesproken zijn het vette balletjes die men aan haar voorzet, vaak ook melk, spek, ham, vlees en eieren. 's-Nachts komt zij dan en eet ervan. In de omgeving van Lienz werpt men kaas voor haar in de beek, een gebruik waarvan reeds in oorkonden uit de dertiende en veertiende eeuw gewag wordt gemaakt. Ook wordt er op deze avond van elk gerecht een lepel vol in het vuur gegooid. De meisjes uit Obersteiermark laten voor de Perchtl iets van de zogenaamde "Perchtenmelk" over.

Deze Perchtl, die tot voorbij het Landschaft ook Stampa of, zoals in Karinthië, Perchtrababa heet, is een spookachtig wezen, dat men zich als een verschrikkelijk oud wijf met ruig haar en gekleed in lompen voorstelt. In enkele plaatsen ziet men haar zonder hoofd, in andere plaatsen draagt zij een reusachtig hoofd met ogen als borden. Ze bezit verder nog lange tanden en een lange ijzeren neus, wat de reden is waarom zij al in oude oorkonden de naam Perchtl met de "ijzeren neus" voert. Van achteren hangt er aan haar een reusachtige messingen koebel. Je ziet, deze persoon is niet echt vertrouwenwekkend, en ik spreek er geen kwaad over, wanneer degene, die haar aanschouwt, "achter geheiligde deuren" vlucht. In de Twaalf Nachten, maar voornamelijk in de nacht voor de Perchtendag, waaraan zij de naam gaf, vliegt zij suizend door de lucht, en wee de argeloze wandelaar, die haar tegenkomt, of het weefgetouw, dat zij tijdens haar nachtelijke zoektocht tegen komt. Haar geleide wordt meestal gevormd door een schare kleine kinderen, die haar in lange rijen volgen. Hier en daar zou ze ook met een paardekop en met een wieg zijn gezien. Omdat zij ook graag kleine kinderen rooft, legt men de laatstgenoemden niet in de wieg, maar er onder, zodat de spookachtige roofster ze niet optillen kan.

Tegen het kwaad van dit spookachtige wezen is er slechts één middel, namelijk het "roken", dat dan ook op deze avond na het eten met bijzondere zorgvuldigheid wordt uitgevoerd... Na het roken worden ramen, huis- en staldeuren goed afgesloten uit vrees voor de wilde Perchtl, die vaak ondanks het roken in het huis binnendringt. Zo zou ze eens in Virgen een ijzeren hand op de haard achtergelaten hebben. Dat kan iemand behoorlijk doen huiveren.

Om dezelfde reden gaat, wie niet moet, na het roken niet meer van huis en velen die het ongelukkigerwijs wel deden, hebben voor hun overmoed bitter moeten boeten. Hier meteen een voorbeeld. Aan de overkant van de Brenner zaten ooit eens tijdens de Gömmacht drie vrolijke kompanen 's-avonds laat nog in de herberg. Een van hen wilde naar buiten gaan, om te zien, of het wel helder weer was, iets wat men in deze nacht graag ziet. "Ga niet," maanden de anderen, "de Stampa zal je pakken." De ander antwoordde echter monter: "Wat, Stampa heen, Stampa hier" en ging naar buiten. Hij stond nauwelijks buiten het portiek, toen hij plotseling voelde hoe hij op een wagen getild werd, en nu snelde deze pijlsnel met hem door de lucht. Toen het eindelijk dag werd, bevond hij zich weer voor de herberg, waar zijn lichtzinnige kameraden nog zaten en hem met angstige gezichtsuitdrukking opwachtten. "Ja," zei hij, "wanneer ik gezegd zou hebben: "Stampa hier, Stampa heen", in plaats van "Stampa heen, Stampa hier, dan zou ik niet meer hier gekomen zijn." Vele anderen die op deze wijze ontvoerd zijn is het slechter vergaan en men vond daags erna zielloze lichamen met vreemdsoortige bloemen tussen de vingers voor de huisdeur. Onder zulke omstandigheden is het te begrijpen, dat men zich op deze avonden niet graag in de open lucht waagt, hoewel juist in deze tijd geld en goed in overvloed te krijgen waren en met de zich bij kruisingen ophoudenden een goed handeltje te drijven was. Zo hield men zich in de gezellige binnentuin dus bezig met schoenwerpen, het voorspellen van de toekomst of men verdreef de tijd door het vertellen van verhalen. Geliefd is ook het Hafelenstellen, vooral in het Unterpustertal, het scherpzinnige orakel dat inhoudt, dat men negen potten omgekeerd neerzet, waarbij onder elke iets ligt, bijvoorbeeld een ring, een brief, een kaars en andere dingen. Daaruit herleidt men het aangename of het onaangename, dat het komende jaar brengen zal. Zelfs de hierboven genoemde Perchtenmelk, of beter gezegd de leeggemaakte schotel met de daarop liggende lepel is een voorwerp wat angstvallig in de gaten wordt gehouden, want wiens lepel er gedurende de nacht vanaf valt, zal in het komende jaar sterven...

De Perchten- of Berchtennacht in de Alpenlanden

Volgens een oude overlevering wordt de laatste rooknacht, van de 2de op de 3de januari, in de zuidduitse landen ook als Berchtennacht, Berchtenavond of soms ook als Berchtendag (in talrijke variaties op het woord ook met een P geschreven) aangemerkt. De oudste bronnen voor dit gebruik stammen uit de 13de eeuw. Een waarschijnlijk bewijsstuk kennen we uit de 12de en een commentaar dat het overwegen waard is uit de 11de eeuw.
De Berchtennacht hangt direct samen met de geest Berchta of Perchta, die in de eerste plaats een lichtgeest (Oudhoogduits: beraht - helder, glanzend; vergelijk met het engelse bright; Berchta = de glanzende) is.
Tegelijkertijd is haar verschijning echter aan de gehele tijd van rooknachten tussen de 21ste en 22ste december en de 2de en 3de januari verbonden. Hier zijn de motieven van de berechtende godheid, die nalatigheden bestraft en vlijt beloont, leidend. Daarin wordt ook het volksgeloof weerspiegeld in een soort hoedster van de rooknachten, die in deze betekenis een voorbereidend karakter op het nieuwe jaar verkrijgt.
De mogelijkheid dat de verschijning van Berchta zich in het bijzonder onder invloed van de in het stroomgebied van de Elbe levende Germanen in Zuid-Duitsland gevormd heeft, is in zoverre waarschijnlijk, daar de naam Berchta in het Gallo-romeinse cultuurgebied nauwelijk aangetroffen wordt en in ieder geval in zowel het Elbe-germaanse Thüringen als in het ernaast gelegen Hessen het motief van Vrouw Holle met bijna identieke inhoud haar plaats in neemt. Dit in ogenschouw nemende is vrouw Berchta enkel een andere benaming voor Vrouw Holle, die in het Thürings en Fränkisch ook als Hullefrau aangeduid wordt. Andere namen zijn Frau Berta, Butzenbercht of Eisenberta. Van deze namen werd Berchta nog eerder overgeleverd dan de Perchtennacht zelf.
Aan de cultische verering van toen herinnert nog het in enkele Alpengebieden gangbare gebruik, om in de Berchtennacht voedsel op het dak neer te zetten.


Demonisering van de Berchta
In het Alpengebied gedomineerd duivelsachtige Perchten-maskers

Het motief van het Perchtenlopen dat in wijds uiteenlopende gebieden voorkomt duidt daarentegen op een demonisering van de voormalige lichtgeest, als gevolg van de laatmiddeleeuwse christelijke herinterpretatie en uitbanning. Ze worden überhaupt pas sinds de 16de eeuw gehouden, en liggen over de oude betekenis heen. Daarom wordt ze hier meestal als aanvoerster van diverse demonen en duivelachtige Krampussen voorgesteld, met welke zij in de twaalf rooknachten rondtrekt. Haar begeleiders kunnen doden of ook ongedoopte kinderen zijn. Naar vrouw Bercht worden deze begeleiders als Perchten aangeduidt.


De nacht van de Hullevrouwen in Thüringen
door Andreas Zautner, verschenen in Herdfeuer Nr. 28 4/2010 ISSN:1611-4604


Stomping dans voor Vrouw Holle

Op 2. januari 2010 reden Timo, Manuela en ik door het voor dit jaargetijde ongewoon weinig besneeuwde Thüringer Woud naar Schnett. Schnett is een relatief klein dorp met iets minder dan 700 inwoners niet ver van Schleusingen in de buurt van Rennsteig. Hier vindt ieder jaar een locale traditionele vorm van de Wilde Jacht of de Perchtenloop plaats, die in de daar thuishorende hennebergse tongval als Hulefraansnocht, of ook als 'de nacht van de Hullevrouwen' aangeduidt wordt. Ze duidt het einde van de rooknachten aan en wordt op archaïsche wijze 12 nachten na de winterzonnewende, in de nacht van de 2de op de 3de januari gehouden.

De Hullevrouwen gelden als helpsters van Vrouw Holle, die in het gebied ten zuiden van Hannover, in het bijzonder in Franken, Hessen en Thüringen als de aanvoerster van de Wilde Jacht gezien wordt, en die veel meer is, als de bedden uitkloppende sneeuwmaakster van de gebroeders Grimm. In het handschrift van de cisterciënzer monniken over het bijgeloof van het plattelandsvolk uit de 13de eeuw wordt verteld: "In de nacht van de geboorte van Christus dekken zij de tafel voor de koningin van de lucht, die het volk Vrouw Holla noemt, waarmee zij haar hulp afsmeken."
Oorspronkelijk was Vrouw Holle een in stralend wit geklede goddelijke vrouw, die in een prachtige wagen door de lucht reed. Met de verspreiding van het christendom heeft zij zich ten dele in een demonische gestalte veranderd. Veel Thüringse sagen schilderen Holle af als een oud, hatelijk wijf, dat de mensen nog altijd rijk beloont of hard straft. In deze sagen is ze vaak met een kar onderweg, die alles behalve een goddelijk rijtuig is. In het Odenwoud noemt men echter tot op vandaag de dag het kerstkind, dat op de kerstavond de kinderen de geschenken brengt, Hullefrau. Deze Hullevrouw wordt, net als het ogenschijnlijk vrouwelijke kerstkind in Thüringen, als een jonge stralende vrouw die volledig gesluierd gaat in een verlopen bruidskleed voorgesteld.

Volgens een sage trekt Vrouw Holle met haar gevolg van de Hörselberg bij Eisenach naar de Simmersberg bij Schnett, om daar haar vazallen, de Hullewijven, op de plek los te laten. Deze geven een ieder, die hun pad kruist, drie zegenende klappen op de rug. De drie klappen zijn een gebaar van rituele reiniging en moeten enerzijds de geesten van het oude jaar verdrijven en geluk, gezondheid en vruchtbaarheid in het nieuwe jaar brengen. Gedurende hun jacht brommen de Hullevrouwen onheilspellend om zich heen en hoe luider en scherper ze brommen, des te bozer zouden zij zijn.

Naast de Hullevrouwen is er nog een stoet andere wezens, die in de Hullefraansnocht zijn onbetamelijkheden bedrijft. Zo wordt iedere Hullevrouw door een roededrager begeleid, die ten eerste de afgebroken hazelaartakken van de Hullefraa onafgebroken vervangt en ten tweede na de rondgang van de Hullevrouw een kleine gift, in de regel wat kleingeld, uitdeelt.

De Wilde Jager, die zeker de meest bekende zal zijn, is een verdere verschijning, die op 2. januari in Schnett om de huizen heen trekt. De sprookjesfiguur de Wilde Jager, die mogelijk de stormgod Wodan is, speelt in de Schnettse Hullefraansnocht enkel nog een ondergeschikte rol, terwijl hij vooral in de noordelijke streken van Duitsland als de aanvoerder van de Wilde Jacht wordt gezien. In Thüringen zijn er enkele sagen waarin de Wilde Jager veel meer als een op zichzelf staand persoon de mensen gedurende de rooknachten naar hun handelen beloont of bestraft.

Als op één na laatste trekt de Wilde, geheel in het zwart gehuld, door het dorp. Zij doet dit om haar naam eer aan te doen bijzonder wild en springt op en neer. Haar slagen zijn bijzonder hevig. Waarschijnlijk is zij een vorm van de Hullewetz, de oude, boze bij het voorgaande jaar horende kant van Vrouw Holle.

Een bijzondere geluk- en heilbrengende figuur is de Strodeerne, welke Vrouw Holle zelf voorstelt. Haar optreden geldt als hoogtepunt van het wilde gebeuren. De Strodeerne is, zoals haar naam al zegt geheel in stro gehuld. Ze heeft een grote snavelachtige, overgedimensioneerde neus en draagt op haar hoofd een kroon, welke door twee over haar hoofd samengebonden strohoorns omsloten wordt. Stroresten uit de kleding van de strodeerne beloven uitzonderlijk veel geluk voor het komende jaar.

De eerste Hullefraa met de typische staven

Tot zover is het wel weer genoeg over de wezens van de Hullefraansnocht en terug naar onze tocht naar Schnett. In het dorp aangekomen hebben we ons meteen op pad naar de top van de door sagen omgeven Simmersberg begeven. Het bijzondere aan de Simmersberg is, dat hij bijna altijd volledig in dikke nevel gehuld is. Bij lichte sneeuwval konden wij nauwelijks onderscheid maken tussen de met sneeuw bedekte grond en de lucht. Af en aan leek er vanuit het niets een boom of struik op te duiken. Op de top van de Simmersberg werd ooit een kleine, maar zeer gezellige jeugdherberg gebouwd, die tegenwoordig de oudste jeugdherberg van Thüringen is en die voor één nacht ons onderkomen zou zijn. Timo had zich in de voorbereiding bezig gehouden met het bij de burgemeester voor ons verkrijgen van toestemming om als Hullefraa en Gertenträger te mogen lopen. Omdat wij echter last hadden van enige remmingen om de lokale Schnetters met roeden af te ranselen, besloten wij tenslotte om onze eigen maskerade te organiseren en uitsluitend als eenvoudige gasten aan de eigenlijke Hullefraansnocht deel te nemen. Nadat wij dus onze kamer in de herberg in beslag genomen hadden, verkleedden we ons en gingen er op uit naar een in de buurt gelegen open plek op de Simmersberg en eerden Vrouw Holle met een drievoudige kring- stampdans, zoals deze door de lokale bevolking tot in de 60er jaren van de 20ste eeuw uitgevoerd werd.


Vandaag maskers zijn veel overeenkomsten met Alemannische carnaval maskers.
Echter, zoals met de eerdere container Strodeerne (zie hieronder), zijn meestal alleen verkrijgbaar in wit, typisch voor de Hullevrouwen
(rechts:) Wat kan ik zeggen - de neus is gewoon geweldig

Nadat we ons weer omgekleed hadden, maakten we onze opwachting in de centrale dorpskroeg de Spindler, direct tegenover de dorpskapel, die aan de heilige Oswald, een heilige die door twee sprekende raven begeleid wordt, gewijd is. In de Spindler sterkten we ons tenslotte met een Röstbrätl. Daarna werd ons gevraagd om de stamplaatsen vrij te maken voor de lokale stamgasten. Wij kregen een tafel op de eerste verdieping toegewezen, die zich opvallend dicht bij de ingang bevond. Een fatale plaatskeuze, naar later zou blijken … Het duurde misschien een uur (waarin we enige interessante gesprekken met de lokale verslaggever van de Thüringer Allgemeinen en het Freien Wort over gebruiken en de Wilde Jacht voerden), eer de eerste Hullefraa verscheen. Zoals we later ervoeren, verschijnen de Hullevrouwen met hun roededragers zomaar ergens in het dorp en trekken van huis naar huis. En nu had het ook de Spindler bereikt. Wild en bulderend stortte de Hullefraa zich in de ruimte, om zich natuurlijk gelijk op ons vreemdelingen aan tafel nr. 1 te richten. Waar vrouwen eerder zachte slagen en enkele liefkozingen ten deel vielen, werden de mannelijke gasten met zwiepende slagen gezegend. En zo ging het de gehele nacht door. De ene Hullefraa na de andere trok door de Spindler, om ons met "Één-twee-drie, ja-ja-jaaah Een gezond nieuw jaaaar" te wensen. Aan een tafel schuin achter ons had de burgemeester van Schnett plaats genomen. Hij en een middenstander, die weliswaar uit Schnett afkomstig is, maar nu in een naburige plaats leeft, hebben in de loop van de avond bijzonder hevige slagen gekregen. Waarom ook altijd...

Elke Hullefraa had haar eigen spel met de roede: enkele sprongen tussen de gasten heen en weer en zegenden ze ogenschijnlijk lukraak, ander gingen het rijtje af. Vele Hullefraa begonnen zo met een zachte slag, om vervolgens met de laatste treffer met de roede de dorpeling - en ons - het te doen uitschreeuwen. Enkelen trokken ons de kleren van het lijf, om de hazeltakken direct op de rughuid te laten striemen. Om gelijk maar op de zaken vooruit te lopen, zo erg was het toen nog niet. Al na twee weken waren de bloeduitstortingen op onze rug weer verdwenen.

Tegen het eind van de Hullefraansnocht verscheen de Strodeerne ten tonele. Zijn belichaamt het goede en vruchtbare. Een paar strohalmen uit haar kleed, de zogenaamde Hullestroh, verdrijven bijvoorbeeld de geldzorgen en zorgen in het kippenhok voor een volle leg. Vanzelfsprekend is het gewaad van de Strodeerne aan het eind van de Hullefraansnocht behoorlijk gehavend. Aan de afsluiting van de Hullefraansnocht zou eigenlijk de Wilde vooraf moeten gaan. Zoals hierboven beschreven, stelt zij het kwaad van het oude jaar voor en maant ze tot verbetering in het nieuwe jaar. Deze figuur is eigenlijk bijna naakt en enkel op het hele lichaam met roet beschilderd. Dit jaar was er echter vanwege ziekte en winterkou niemand bereid, deze verschijning uit te beelden - helaas.


(links:) Ook is de weldadige zweep gebruikt.
(rechts:) Nu is het meteen weer rond.

Ook deze afgezonderde idylle in het Thüringer Woud leidt onder een zekere decadentie. Schnett heeft, zoals zoveel streken in het gebied van de voormalige DDR, met een sterke afname van de bevolking te maken. Ervan afgezien, dat er dit jaar geen Wilde was, is ook het aantal Hullevrouwen in vergelijk met het voorgaande jaar van 26 naar 18 terug gelopen. Steeds minder jonge mensen uit het dorp zijn enthousiast over hun lokale traditie, terwijl er daar ook nog eens, zoals al gezegd, steeds minder jonge mensen zijn. Na het officiële eind van de Hullefraansnocht omstreeks 23 uur zijn wij nog met enkele Schnetters in gesprek geraakt, waarmee wij ons in de Spindler met enkele glazen fränkisch bier over „Holle en de wereld“ bezig hielden. Dit gebruik bestaat in een gelijkende vorm behalve in Schnett alleen nog in Tirol. Waarschijnlijk is de afzondering een reden, waarom de Hullefraansnacht door de eeuwen heen hier kon voortbestaan. Zelfs Maarten Luther ging tegen Vrouw Holle tekeer.


De Strodeerne met hun traditionele hoofdtooi

Voor degenen onder jullie, die in ieder geval volgend jaar zelf naar de Hullefraansnocht willen rijden, om Vrouw Holle en de Hullevrouwen te eren, zijn hier de adressen van het cafetaria Spindler en van de jeugdherberg op de Simmersberg. De beheerder of beheerster van de herberg kunnen ook meer informatie over de Hullefraansnocht geven.

Gaststätte „Spindler“
Simmersbergstraße 3
98666 Masserberg
Tel. 036874 - 39467
http://spindler-schnett.blogspot.com/

JH Schnett „Auf dem Simmersberg“
Kirchberg 25
98666 Schnett
Leitung: Heidi Schramm
Tel.: 0049 (0) 36874 - 39532
Fax: 0049 (0) 36874 - 39532
E-Mail: jh-schnett(a)djh-thueringen.de


Verdere literatuur:
- Arno Martin: Die Nacht der Hullefrauen - Der Wilde Lauf ins Neue Jahr, Dresden 1999, ISBN:3-934291-00-7
- Andrea Jakob (Herausgeber): Von Martini bis Lichtmess: Brauch und Aberglaube in der Weihnachtszeit in Südthüringen und Franken, Meininger Museen; Auflage: 1 (Dezember 1999) ISBN: 978-3910114036
- Anne und Jochen Wiesigel: Feste und Bräuche in Thüringen. Die Schauplätze der ausgewählten Feste und Bräuche in Thüringen. Von der Hullefraansnacht zu den Antoniusfeuern. 1. Aufl. 1994, ISBN: 3860870807
- Ernst Stahl: Folklore in Thüringen (Tänze, Sitten Und Bräuche, Brauchtum und Trachtenentwicklung - Teil 1 Und Teil 2) Verlag/Ort: Thüringer Folklorezentrum, Erfurt 1979
- Gardenstone: Göttin Holle: Auf der Suche nach einer alten Göttin; Books on Demand Gmbh; Auflage: 1 (Juni 2006), ISBN: 978-3833445798
- Erika Timm und Gustav A. Beckmann: Frau Holle, Frau Percht und verwandte Gestalten - 2003, ISBN: 9783777612300


Deze site in het Duits

Index (Duits)